‘t was ver hier vandaan en ‘t is heel lang geledenda 7 kabouters met sneeuwwitje vreeënda was in den tijd dat de beesten nog sprakendie zalige tijd van heksen en drakenSneeuwitje da was een braaf maskeZe wast ze boende ze plasteWant 7 klein mannen, dadis gene lachdaar zedde mee bezig de godganse dagSneeuwwitje was dan ook de grote vedetoverdag in de keuken en ‘s avonds in bed.Maar toen kwam er een heks met een stootkarreke aandie leurde met eppelkes langs de baanSneeuwitje die kocht er een kilooke vanze dacht: « Daar maak ak straks appelspijs van. »Maar had ons Sneeuwit het gewetenDan had ze er nooit in gebetenWant al dat fruit was vergiftigd en roten Sneeuwwitje viel op de grond gelijk een blokDe kabouterkes vonden haar ‘s avonds in ‘t stroot’t Verdriet was groot want Sneeuwwitje was doodEn in ‘t midden van ‘t bos wier ne put gegravende kabouterkes gingen Sneeuwitje begravende vogelkes floten een droevig refreinen idereen blètte van smart en sjagreinMaar swens als ze stonden te biddenverscheen er ne Prins in hun middenDie woonde wa verder in een machtig kasteeldat proppestevol zat met geld en juweelDe prins gaf Sneeuwwitje ne kus op de monden geloof het of nie, maar ze werd terug gezondSneeuwwitje werd wakker en dacht dat is strafmet dien rijkaard ben’k van die kleinmannen vanafDe prins zei: « Lief kind sping toch rap op mijn paardDie sukkeltjes hier zijn uw schoonheid niet waard. »Ne kabouter riep nog: « Excellentie,gij hebt gij verrekt veel pretentie ! »Maar ze waren er al op hunne schimmel vandoor.De kabouterkes kloegen, het stond er slecht voor,Dien does is met ons Sneeuwwitje gaan lopenen wie gaat er nu klein kabouterkes kopenVanaf dan ziede geen kabouters nie meerhet afscheid van Sneeuwwitje deed hun te zeerze blijven nu binnen, Sneeuwwit kan verrekkenze zitten nu ‘s avonds een kaartje te trekkenSneeuwitje die lleft nu in rijkdam,Maar ze geeft er ocharme geen knijt omWant ze zit daar alleen in haar macht paleisde prins die is altijd met vrienden op reisom nog rijker te worden door oorlog te voerenZe zit nu al weken door’t venster te turen.Sneeuwwitje zei ‘t leven is triestig en rotik vind mijne lekkere nooit op zijn kot’k had beter die dwergskes niet genegeerdWant wie het klein niet begeerd is het grote niet weerd.